Ecologische Instrumenten voor de beoordeling van milieukwaliteit

Het symposium is georganiseerd door de sectie Milieutoxicologie van de NVT (Martine van der Weiden) in samenwerking met NEVECOL (inmiddels NECOV) (Nico van Straalen) en de Sectie Miliechemie (Pierre del Castilho).

Aan het symposium namen 70 personen deel en het werd gehouden op 15 december 1998 in de Reehorst te Ede.

Conclusies

Gedurende deze symposiumdag zijn diverse ecologische instrumenten en daarmee samenhangende onderzoeks- en toepassingsaspecten besproken die in de hiervoor liggende samenvattingen zijn beschreven.

Wat betreft de ontwikkeling en toepassing van ecologische instrumenten werd aan het eind van deze dag een aantal conclusies getrokken.

Als eerste dat een (ecologisch) instrument voor de beoordeling van milieukwaliteit in staat zou moeten zijn om iets op onderscheidende wijze te meten, de uitslag een goede indicator voor een bepaalde functie zou moeten zijn en het instrument simpel en eenvoudig zou moeten zijn.

Een andere conclusie die getrokken werd is dat er een spanning lijkt te zijn tussen het fundamentele onderzoek naar ecologische instrumenten en de toepassingsgerichtheid en de vragen vanuit het beleid en beheer. Veel onderzoek is gericht op kennisopbouw en de toepassing in beleid of beheer is (nog) niet mogelijk. Ook lijkt er een discrepantie te zitten tussen de ecologische relevantie versus eenvoud, lage kosten en reproduceerbaarheid.

De op deze dag genoemde, reeds in het beheer toegepaste, ecologische instrumenten bleken allemaal gebaseerd te zijn op soortensamenstellingen van levensgemeenschappen die karakteristiek zijn voor bepaalde ecosysteemtypen, aan de hand waarvan dan beoordeeld wordt of er een bepaalde verstoring in het ecosysteem plaatsvindt. De aard van de verstoring (stoffen, verzuring o.i.d.) is vaak niet specifiek aan te geven. De interacties tussen soorten in het voedselweb (predator/prooi relaties e.d.) worden over het algemeen niet verdisconteerd in deze instrumenten. De ecologische instrumenten zijn tot nu toe beschrijvend en er is behoefte aan (ecologische) instrumenten die daarnaast tevens een voorspellende waarde hebben.

Verder kan nog geconcludeerd worden dat de ontwikkeling van ecologische instrumenten voor het watercompartiment verder is dan voor bodem of sediment. Ook werd geconcludeerd dat voor veel aspecten nog heel weinig kennis beschikbaar is, bijvoorbeeld hoe specifiek ecologische parameters op de aanwezigheid van welke stoffen reageren en in hoeverre stoffen de oorzaak van verstoringen in het ecosysteem zijn. Er is wel duidelijk meer interesse voor en behoefte aan beschrijvende indices die responsen op populatie- en ecosysteemniveau zouden kunnen meten en die dan aansluiten bij de milieuthema’s verspreiding, verzuring, vermesting etc. Ecotoxicologische biomarkers lijken vooralsnog voor het aantonen en beoordelen van vervuiling met stoffen geschikter, omdat ze specifieker reageren en een hoger onderscheidend vermogen hebben. De vertaling naar ecosysteemniveau is echter nog lastig.

Een kansrijk spoor van onderzoek zou bestaan uit het ontwikkelen van ecologische instrumenten, waarin ecologie, toxicologie en milieuchemie geïntegreerd zijn, waarbij door de combinatie van kennis en een gecombineerde toepassing van parameters op verschillende niveaus een stapje verder gekomen kan worden in de beoordeling van de milieukwaliteit.

Een ander belangrijk onderzoekspoor gericht op de daadwerkelijke toepassing is de validatie van de responsen waargenomen in het laboratorium, voorspeld met een model versus veldwaarnemingen. Kansen voor geïntegreerd onderzoek zitten ook in veldgericht werk, zoals de verschillende ecologische monitoringprogramma’s, waarin vele vrijwilligers participeren en het NWO-Stimuleringsprogramma Systeemgericht Ecotoxicologisch Onderzoek, dat de komende 5 jaar gaat lopen. Ook is er gediscussieerd over de noodzaak om bij landinrichtingsprojecten gelden te reserveren voor monitoring.

Wat betreft het internationale spoor werd aangeven dat de verkregen (nationale) kennis en methodieken zoveel mogelijk ingebracht zouden moeten worden in de internationale regelgeving (bijvoorbeeld in de EU-Kaderrichtlijn Water), maar dat er toch altijd nationaal beleid nodig zal blijven.
Martine van der Weiden
Pierre del Castilho


Deze pagina werd voor het laatst bewerkt op 10 februari 2002.