Uit lezingen van Carl Denneman (VROM/Bodem) en Jan Hendriks (RIZA)
werd duidelijk, dat in het beleid ten aanzien van bodem en water een pragmatische benadering
wordt gevolgd.
Met mengsel-effecten wordt hooguit rekening gehouden in het geval van groepen van verwante
stoffen (bv. PAK's), en dan wordt uitgegaan van concentratie-additie (van concentratie-additie
kan worden gesproken wanneer het effect van de som van de concentraties in een mengsel
gelijk is aan het effect van het mengsel ofwel wanneer het aantal toxische eenheden van een
mengsel gelijk is aan de som van de toxische eenheden van de individuele stoffen in dat mengsel).
Verder wordt een factor 100 aangehouden tussen maximaal toelaatbaar risico en verwaarloosbaar
risico. John Groten (TNO-Voeding) gaf vanuit ervaringen in de humane toxicologie aan, dat
het raadzaam is te komen tot een prioritering van stoffen die op grond van hun voorkomen in het
milieu een potentieel risico vormen. Dit kan bv. gaan om stoffen die een NOEC overschrijden.
Alleen voor deze stoffen moet mogelijke werking in mengsels in het milieu worden bekeken.
Interessant is het concept van een gewogen onzekerheidsfactor, die in de beoordeling van risico's
van mengsels voor de volksgezondheid wordt overwogen. Om zo'n gewogen veiligheidsfactor te
kunnen toepassen moet overigens wel bekend zijn uit welke stoffen het mengsel bestaat waaraan
men wordt blootgesteld; de factor wordt bijgesteld op grond van de verwachte werking van het
mengsel.
Door Carl Denneman en Jan Hendriks werden bioassays op milieumonsters
genoemd als mogelijke instrumenten om de toxiciteit van complexe verontreinigingen te bepalen.
Jan Hendriks noemde als één van de argumenten voor het gebruik van bioassays, dat 90%
van de toxiciteit die in oppervlaktewater wordt gemeten veroorzaakt wordt door onbekende
(mengsels van) stoffen. Opgemerkt werd echter dat criteria om de resultaten van dergelijke
bioassays te beoordelen nog ontbreken. Joop Hermens (RITOX) noemde het gebruik
van somparameters als een mogelijke tussenstap tussen bioassays en mengseltoxiciteitsonderzoek.
Hij gaf aan, dat voor stoffen met eenzelfde werkingsmechanisme in principe concentratie-additiviteit
mag worden verwacht; dit geldt zeker voor stoffen met een aspecifiek werkingsmechanisme ofwel
stoffen die een narcotiserend effect hebben. Daarnaast geldt dat ook voor stoffen met een
specifiek werkingsmechanisme altijd voor een deel bijdragen aan de narcotiserende werking
van een mengsel. Dit werd bevestigd door John Deneer (Staring Centrum) op grond
van resultaten van een literatuuronderzoek naar de mengseltoxiciteit van bestrijdingsmiddelen.
Dit uitgangspunt vormde voor Joop Hermens de basis om zogenaamde biomimetische
methoden te ontwikkelen, waarbij met behulp van bv. empore discs en SPME's de totale
accumuleerbare hoeveelheid organische stoffen in oppervlaktewater kan worden bepaald en
gerelateerd aan een Total Body Residue in organismen.
Door Jan Kammenga (Vakgroep Nematogie, LUW) en Ria Hooftman
(TNO-Voeding) werd benadrukt dat veel aandacht nodig is voor milieuchemische aspecten
van mengsels in de bodem; deze aspecten zijn van groot belang voor het beoordelen van
de biologische beschikbaarheid. John Deneer voegde hier aan toe het feit dat ook
chemische interacties kunnen optreden tussen stoffen in een mengsel; ook dit punt is tot nog
toe onderbelicht gebleven.
Door Michiel Kraak (Vakgroep Aquatische Ecologie en Ecotoxicologie, UvA)
werd ingegaan op enkele methodologische problemen in het onderzoek aan mengsels.
Hij gaf aan dat de gevoeligheid van toetsorganismen in de tijd kan verschillen; het is daarom
aan te bevelen om de Toxic Units voor mengsels niet te baseren op eerder uitgevoerde
toetsen maar steeds ook een toets met de individuele stoffen mee te laten lopen met de toetsen
met het mengsel. Alleen dan kan een echt betrouwbare schatting van de Toxic Units worden
verkregen. Verder wezen Michiel Kraak en Jan Kammenga op het probleem dat de
dosis-effectrelaties voor verschillende stoffen van vorm (helling) verschillen.
Daardoor kan het type werking van het mengsel verschillen afhankelijk van het
concentratie-niveau waarop wordt gekeken. Door Michiel Kraak werd dit geillustreerd met
twee voorbeelden; in een geval van twee zware metalen nam de werking af van antagonisme
op het niveau van de EC90 tot additiviteit op het niveau van de EC10.
John Groten gaf aan dat in de humane toxicologie het probleem van mengsels op
vrijwel dezelfde manier wordt behaderd als in de milieutoxicologie. In de humane toxicologie
wordt echter meer accent gelegd op het begrijpen van interacties. Voor de uitvoering van een
goed mengseltoxiciteitsexperiment is een complex opzet nodig; hij gaf voorbeelden van
multi-factoriele toetsopzetten en mogelijkheden om daarin enige reductie aan te brengen zonder
al te grote verliezen aan informatie. Verder noemde hij isobologrammen en PBPK-modellen als
instrumenten voor het beoordelen van de toxiciteit van mengsels van 2-3 stoffen en modellen
uit de proceskunde voor meer complexe mengsels.
Tenslotte viel in vrijwel alle lezingen op dat het type werking van een mengsel sterk afhangt
van de gekozen toetsparameter en het concentratie-niveau. Dit kwam het sterkst naar
voren in de lezing van Henk Schat (Afdeling Plantenoecologie, VU), die bij hoge
concentraties van binaire mengsels van metalen synergisme vond en bij lage concentraties
non-additie. Maar ook Jan Hendriks, Jan Kammenga, Michiel Kraak
en John Groten gaven voorbeelden waaruit deze concentratie-afhankelijkheid van
het type mengselwerking bleek.
Uit het werk van Ria Hooftman bleek dat ook de relatieve bijdrage van een stof
(metalen) aan de toxiciteit van een mengsel voor planten kan verschillen; dit was zelfs het
geval wanneer mengselwerking werd bekeken op extern of intern niveau. Door John Deneer
werd aangegeven, dat ook een verschil in de verhoudingen waarin twee (of meer) stoffen in
een mengsel voorkomen kan leiden tot een verschil in type mengselwerking.
Kees van Gestel